Flickr / dacian dorca-street photography

Zelfonthouding

Soms, als mijn gesprekspartner even richting de bar is gelopen om voor ons beiden nog een biertje te halen of naar de wc moest, word ik overvallen door de openbaring dat ik voor de zoveelste keer een versie van hetzelfde verhaal over mijn jeugd/ambities/liefdesleven aan het vertellen ben. Afhankelijk van in welke mal de details deze keer worden gegoten en in welke situatie ik me bevind, verandert het verhaal wat. Soms gebeurt het zelfs nog dat ik me verbaas en met een nieuwe twist of conclusie op de proppen kom, maar de grote lijnen lijken al lang geleden uitgezet uitgezet. Deze verhalen zijn net zo goed een onderdeel van het koetjes-en-kalfjesrepertoire geworden als het weer en de hypotheekrenteaftrek.

Op zo’n moment stel ik me wel eens voor hoe het zou zijn om te stoppen met het vertellen van verhalen over mijzelf, om me van mijzelf te onthouden. Zou er een mogelijkheid zijn om me in plaats daarvan terug te trekken naar een plek waar iets dergelijks niet nodig is om een gevoel van een ‘ik’ te creëren? Want alhoewel ik me eraan erger ben ik net zo goed gehecht aan de woorden die ik aan mijzelf vuil maak.

Ik reageer bijna altijd met een verhaal waarin ikzelf de hoofdrol speel

Ik durft te beweren dat we allemaal op een of andere manier bouwen op verhalen – over ons verleden, onze huidige staat van zijn, en over wat de toekomst ons gaat brengen – maar er is vaak niets universeels aan de methode die dit in de praktijk brengt. Een paar dagen geleden liet een vriend mij weten dat als reactie op een anekdote van iemand anders, ik bijna altijd reageer met een verhaal waarin ik de hoofdrol speel. Alsof de enige manier waarop ik kan laten merken dat ik een ander begrijp rust op het feit dat ik iets soortgelijks heb meegemaakt. Ook ben ik eindeloos geïnteresseerd in de weinig opzienbarende intriges van mijn eigen leven; vol overgave vertel ik vrienden en huisgenoten over de nieuwe schoenen die ik heb gekocht, mijn eczeem dat weer opspeelt, en het feit dat het me weer gelukt is om vier keer te gaan zwemmen deze week.

Ik lijk te lijden aan het syndroom van ‘opzichtige communicatie’, een variatie op de term ‘opzichtige consumptie’ die werd bedacht door de fin-de-sièclesocioloog Thorstein Veblen om de aandrang van mensen te verklaren om dingen te kopen die slechts als symbool van rijkdom dienen en geen enkele andere functie lijken te vervullen. In mijn geval voelt het soms alsof de verhalen slechts dienen om een rijk geschakeerd beeld van mijzelf te kunnen presenteren aan de buitenwereld, om mijzelf te kleden zodat ik niet als de blote keizer over straat hoef. De betekenis die ik geef aan mijn leven lijkt alleen door externe factoren te worden ondersteund.

Een mijmering over zelfonthouding escaleert meestal snel en krijgt de vorm van een Emerson-ideaal in de Nederlandse context: een hutje op de hei waar ik erachter kom, door nijvere handenarbeid en een confrontatie met de elementen, dat mijn innerlijke belevingswereld genoeg is om de rest van mijn leven op te teren. Ik daal in mijzelf af om vervolgens op een goudmijn van authenticiteit te stuiten. Tegelijkertijd beginnen de alarmbellen te rinkelen. Ik weet dat dit een belachelijke gedachte is, niet meer dan een door mijn brein opgevoerde parodie van de mythe van zelfvoorzienigheid. Ik wil niet iedereen over een kam scheren – misschien bestaan er wel echt mensen die op deze manier een invulling aan hun leven kunnen geven, die de favoriete uitspraak van elke huis-tuin-en-keukenpsycholoog (‘de mens is inherent een sociaal dier’) weten te ontkrachten, maar deze rol is niet voor mij weggelegd.

Alledaagse communicatie wordt gelijkgesteld met de oververhitte geldpersen van de Weimarrepubliek

Ook lijkt deze wens te rusten op de import van een economisch principe: inflatie. Alledaagse communicatie wordt op deze manier gelijkgesteld met de oververhitte geldpersen van de Weimarrepubliek – hoe meer er wordt bijgedrukt, hoe sneller de waarde van de valuta daalt. Schaarste wordt in dit geval een begerenswaardige conditie. Een notie die hiermee samenhangt is de geprivilegieerde positie van het geschreven woord. In tegenstelling tot alle ruis waarmee wij onszelf een houding geven en die ter plekke wordt verzonnen, zou de geschreven tegenhanger veel betekenisvaster moeten zijn; ze is pas echt een plek waar we over onszelf en onze positie in de wereld kunnen nadenken. Een dergelijke focus, naast dat die simpelweg elitair is, negeert veel van hoe mensen zichzelf vormgeven.

Dus, hoe kan ik niet als weerwoord tegen maar tezamen met de ruis, met de overvloed aan informatie die ik over (en voor!) mijzelf produceer, aan de gang? De eerste stap op weg naar een herwaardering is een simpele: het besef dat deze ruis mij misschien niet helpt om mij dichter bij mijzelf te brengen, wat dit ook mag zijn, maar dat ruis in ieder geval een manier impliceert om een verbinding tot stand te brengen met anderen. Verder is het zonde om de creativiteit van de ruisverhalen compleet te ontkennen – de daad van narrativiteit, het bijeenbrengen van gevoelens, gebeurtenissen, en observaties tot een verhalend geheel, voelt soms aan als van water wijn maken.

Maar een complete focus op de secundaire kwaliteiten van de ruis, zijn kracht tot verbinding en zijn conceptie, neigt naar een complete ontkenning van de drang naar authenticiteit en stabiliteit, naar de creatie van een frivole, postmoderne droomwereld waar de oppervlakte alles is wat er bestaat en betekenis letterlijke uit het raam gegooid is. Het lijkt me ook nodig om ‘lege verhalen’ een plek geven, die, zonder ze volkomen letterlijk te nemen, de drang naar een waarachtige articulatie over onszelf niet ontkent.

Elke authentieke ervaring is verstrengeld met de boterhammen die moeten worden gesmeerd voor de kinderen

Een mogelijk aanpak heb ik, ironisch genoeg, gevonden in het geschreven woord. Knausgård, de Noorse literaire superster, heeft een zesdelige serie over elk minuscuul detail van zijn leven geschreven, een daad die doet vermoeden dat het hier om een man gaat die zichzelf grenzeloos serieus neemt en zichzelf niets onthoudt. Critici hebben zich afgevraagd waar hij het recht vandaan denkt te halen om zoveel ruimte aan zichzelf te wijden. Maar hoe verder je jezelf verliest in zijn boeken, die grotendeels bestaan uit het ‘verliteraturen’ van ruis, hoe duidelijker het wordt dat elke betekenisvolle, authentieke ervaring en elke bijbehorende articulatie hiervan intiem verstrengeld is met het alledaagse, met de boterhammen die moeten worden gesmeerd voor de kinderen en de vervelende onderbuurvrouw die onnodig klaagt over geluidsoverlast. In plaats van zelfonthouding en negatie lijkt Knausgård op de vraag hoe een verhaal over jezelf te vertellen te reageren met het tegenovergestelde: zelf-exces en eindeloze uitweiding.

Als mijn gesprekspartner uiteindelijk terugkomt, met een biertje of een opgeluchte uitdrukking op zijn of haar gezicht, ben ik vaak al over mijn initiële teleurstelling heen en bedenk ik me snel waar we gebleven waren, hoe ik mijzelf en mijn verhalen kan inzetten om iets van de avond te maken, en probeer ik mijzelf niet te serieus te nemen. Later ga ik dan naar bed met weer een dag meer van het alledaagse waar misschien ooit, en waarschijnlijk slechts een glimp, meer uit naar boven komt drijven. Als dit slechts een optelling van het banale is, zal ik proberen niet ontevreden te zijn, of verzin ik er simpelweg wat bij.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven