Flickr / Jeff Kubina

Zen en de kunst van de wetenschap

Sinds de affaire Stapel is de Nederlandse wetenschapswereld volop in discussie over haar eigen functioneren. Van een perverse publicatiecultuur tot aan een verwoestende financieringsdruk, tal van problemen komen bovendrijven en maken zo langzamerhand duidelijk dat de wetenschap eerder kampt met structurele problemen, dan met uitzonderlijke gevallen van fraude. Professor Jean Tillie (bijzonder hoogleraar electorale politiek, UvA) stelde onlangs terecht dat de wetenschap toe is aan een ‘herbezinning waarbij de vraag wat kwalitatief goed onderzoek is weer centraal moet staan’.

Het streven naar kwaliteit: een eeuwenoud thema voor filosofen, en nu een prangend vraagstuk voor de wetenschap. Maar hoe kunnen we ‘kwaliteit’ eigenlijk begrijpen? Wat is het?

De Amerikaanse schrijver-filosoof Robert Pirsig biedt een intrigerend antwoord in zijn boek Zen and the Art of Motorcycle Maintenance (1974). Met zijn verhaal over de hoofdpersoon Phaedrus en diens tevergeefse zoektocht naar de algemene definitie van kwaliteit, laat Pirsig namelijk zien dat de vraag onmogelijk te beantwoorden is.

In het verhaal probeert Phaedrus grip te krijgen op de problemen van de jaren ’70, een tijd waarin twee generaties recht tegenover elkaar stonden. Aan de ene kant de oudere generatie, die als getuige van een ongekende materiële vooruitgang kwaliteit zag in orde, kennis en technologie. Aan de andere kant de jonge hippiegeneratie, die geconfronteerd met de repressieve en lege kanten van die vooruitgang kwaliteit vond in vrijheid, gevoel en kunst. In een poging om de maatschappelijke kloof tussen het hoofd en het hart te overbruggen, zoekt Phaedrus naar een definitie van kwaliteit die beide kampen overstijgt. Wat hij vindt is echter bittere teleurstelling, want kwaliteit blijkt niet algemeen definieerbaar.

Probeer het maar. Kwaliteit is dat wat goed is? Dat wat waarde heeft? Je raakt al snel verstrikt in synoniemen. Dat komt volgens Pirsig omdat in abstractie alles in deze wereld goed noch slecht is. Alles ‘is’ simpelweg. Goed en slecht ontstaan, wanneer mensen de wereld ordenen om deze kenbaar te maken. In dat proces van kenbaar maken, kennen we kwaliteit toe aan specifieke dingen, om ze positief te onderscheiden van andere specifieke dingen. De mogelijkheden daarin zijn eindeloos, want de wereld is doordrongen van observeerbare verschillen, afhankelijk van waar mensen aandacht aan geven. Kwaliteit is dus, in plaats van definieerbaar, oneindig divers, en verlichting is gelegen in het erkennen van die inherente diversiteit. In de poëtische woorden van Pirsig’s Phaedrus: ‘(Quality) resides quite as comfortably in the circuits of a digital computer or the gears of a cycle transmission as he does at the top of a mountain or in the petals of a flower. To think otherwise is to demean (quality)...which is to demean oneself.’

De wereld is doordrongen van observeerbare verschillen.

Pirsig’s abstracte omschrijving van kwaliteit blijkt goed toepasbaar op het specifieke kwaliteitsvraagstuk van de wetenschap. Als we in dat vraagstuk namelijk niet zozeer kwaliteit, maar diversiteit in kwaliteit als maatstaf nemen, zien we ineens wat er aan de hand is: de wetenschap spreekt van vele kwaliteiten, maar geeft in haar daden vooral gehoor aan één.

In de nu gevoerde discussie komen tal van wetenschapskwaliteiten naar voren die de wetenschap in haar huidige staat onvoldoende behaalt. Onderzoek stelt te weinig complexe vragen, ontbeert nut voor de samenleving, is te monodisciplinair, ga zo maar door. De meeste boze vingers wijzen daarin naar één en dezelfde schuldige, de ‘perverse incentive’, de spreekwoordelijke wortel die in verschillende gedaantes wetenschappers verleidt tot het maken van de verkeerde keuzes. Denk aan de gedaante van ‘de publicatiedruk’, die wetenschappers meer doet richten op het aantal artikelen dat zij kunnen publiceren in de juiste wetenschappelijke tijdschriften, dan op de ambitie van hun onderzoek. En de gedaante van ‘bezuinigingen’, die wetenschappers dwingt zich nog verder te beperken tot dat waarop ze afgerekend worden, hun publicaties, in plaats van aandacht te besteden aan onderwijs of contact met de samenleving.

Die perverse incentives zijn er zeker. Toch is het neerzetten van wetenschappers als slachtoffers die wel willen, maar niet kunnen, een misrepresentatie van de werkelijkheid. Wetenschappers zetten zich wel degelijk in om kwaliteit te bereiken met hun onderzoek, ook onder lastige omstandigheden. Het probleem is echter dat zij – net als de twee generaties in Pirsig’s boek – beperkt worden door een eenzijdig perspectief op kwaliteit: het perspectief dat wetenschapskwaliteit vooral ziet als de accumulatie van kennis via de juiste methoden.

Dat is immers de heersende waarde van de wetenschap zoals die zich over de eeuwen heeft ontwikkeld. Van de oude Grieken tot aan Popper ontgonnen wetenschapsfilosofen langzaam maar zeker het pad van het ‘positivisme’, de stroming die meent dat kennis alleen empirisch kan worden verworven door het correct toepassen van de wetenschappelijke methode. Anno 2014 is dat pad echter een snelweg en bovendien de aanbevolen route naar kwaliteit.

Anno 2014 is het pad van het positivisme een snelweg en bovendien de aanbevolen route naar kwaliteit.

In het wetenschappelijk onderwijs leren studenten vanaf dag één over wetenschappelijke kwaliteit binnen strikte kaders. Kwaliteit, zo horen zij, is gelegen in nieuwe, valide, betrouwbare en vaak ook generaliseerbare kennis, die je bereikt via de juiste methode. Dus splitst het onderwijs zich in twee sporen: het spoor van de theorie, dat studenten voorziet van bestaande kennis, en het spoor van de onderzoeksmethoden, dat studenten klaarstoomt voor de productie van kennis. De twee komen samen bij het scriptieonderzoek, waar studenten worden beoordeeld op hun vermogen om beide te verenigen.

Studenten leren daarmee het gebruikelijke riedeltje van de wetenschap. Immers, in een gemiddeld wetenschappelijk artikel wordt kwaliteit net zo beargumenteerd; onder het kopje ‘literature review’, staat hoe het onderzoek bijdraagt aan bestaande kennis, en onder het kopje ‘research methods’, wordt de gebruikte methode bepleit. Was het onderzoek ook afdoende ambitieus? Had het nut voor de samenleving? Misschien wel, misschien ook niet; in veel wetenschappelijk artikelen komt het in ieder geval niet ter sprake. Maar goed, wie neemt er ook een hobbelig zijpad als de snelweg je een stuk sneller brengt naar wat algemeen geldt als wetenschappelijke kwaliteit?

Het is dus inderdaad, zoals Tillie voorstelt, tijd voor een herbezinning op de vraag wat kwaliteit is in de wetenschap. De ‘wat’-vraag valt of staat echter bij de ‘hoe’-vraag die erop volgt. Want de wetenschap spreekt al van diverse kwaliteiten. Het fundamentele probleem is gelegen in hoe de wetenschap deze denkt te bereiken: door alles in te zetten op één van die kwaliteiten en van de rest te verwachten dat zij zomaar ontstaan. Daadwerkelijk streven naar diverse kwaliteiten betekent ruimte maken voor diversiteit in de wetenschappelijke praktijk. Een proces dat begint bij ruimte maken voor een nieuwe generatie wetenschappers om andere paden te verkennen: bij studenten die vrij zijn om zelf hun visie op wetenschappelijke kwaliteit te ontwikkelen, door middel van praktijkstages en (interdisciplinaire) projecten. En bij promovendi die vervolgens mogen bijdragen aan wetenschappelijke kwaliteit vanuit zo’n eigen visie, door middel van financieringsstructuren die recht doen aan de grote diversiteit van wetenschapsperspectieven.

Hoe kan de wetenschap niet één, maar diverse kwaliteiten behalen? Dat is de Pirsigiaanse hamvraag waarop de wetenschap zich mag gaan bezinnen.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven