Flickr / Tina H

Alleen de exorbitante poëzie redt ons van het dogma

De dood van VergiliusHerman Broch1989
Over: Der Tod des VergilAnneke Brassinga1986
AeneisVergilius29-19 v. Chr.

Gelooft u in het woord? In het vleesgeworden woord van een God die minder en minder gehoord wordt? Heeft u weleens de woorden over uw tong laten vloeien als ware het zonder doel? Om via kronkelwegen, hinkelbanen, verdwazende en verhelderende exposés en excursies, door de cirkelende, zoekende drift van uw woorden juist datgene uit te drukken wat zich niet zeggen laat, wat u niet gezegd zou willen hebben of wat zich zelfs alleen maar als een mislukt streven tot spreken kan tonen?

Het enkelvoudige woord van een God dat alles in zich sluit en de eindeloze stroom van woorden van een raaskallende dichter die niets wezenlijks te zeggen heeft: op het eerste gezicht lijkt niets verder uit elkaar te liggen. Toch worden beide samengebracht in Herman Brochs De dood van Vergilius (in 1989 vertaald door de recentelijk met de P.C. Hooftprijs bekroonde dichter Anneke Brassinga). Het werk staat bekend om zijn pagina’s lange zinnen (gemiddeld 91 woorden) die middels alliteraties, neologismen en oxymoronen de lezer door de gedachten van de dichter van de Aeneis heen sleuren. We volgen Vergilius in de laatste dag van zijn leven. Het vooruitzien van de dood doet hem terugzien in berouw. Zijn hoofdwerk, de Aeneis, is ijdele schoonschrijverij die louter de staat heeft gediend, maar niet de waarheid of de mens. Hij komt tot het besef dat hij zijn leven had moeten wijden aan het streven naar kennis en het uitdragen van liefde, dat hij als de hoogste werkelijkheid komt in te zien. Deze waarheid overmant hem zo heftig dat alleen Caesar Augustus in staat is om hem ervan te weerhouden het dichtwerk te vernietigen. In zijn laatste uren ontvouwt visioen na visioen hem de structuur van de schepping als herschepping: de onveranderlijkheid van de veranderlijkheid van het zijn als wordingsproces.

De eerste indruk van de roman is echter die van een mislukking! Broch is zo excessief in zijn taalgebruik en beeldkettingen dat het zijn eigen denkbeelden ongeloofwaardig maakt. Zelfs Brassinga spreekt in dit verband van een "reliek ... van verlangen naar een eenheid die eeuwen geleden nog bevattelijk was, misschien, maar die in Brochs werk onmogelijk en ongeloofwaardig aandoet." Maar waar Brassinga spreekt van een mislukking wil ik betogen dat Broch ergens in geslaagd is. Hij toont namelijk de wijze waarop we om kunnen gaan met ervaringen en denkbeelden die normaal verloren gaan in religiekritiek en het verwerpen van grote verhalen. Hij laat ons zien hoe we om kunnen gaan met ons onvolmaakt streven naar volmaaktheid. Daarmee zeilt hij tussen de dogmatische Scylla, volgens welke we religie weer serieus moeten nemen om zin te geven aan een grootse opvatting als liefde als scheppingsmacht, en de sardonische Charybdis, die ertoe neigt dit soort ervaringen en denkbeelden te ironiseren tot het punt dat we ze lachwekkend vinden in de ander en beschamend in onszelf.

Broch laat ons zien hoe we om kunnen gaan met ons onvolmaakt streven naar volmaaktheid

Om dit te laten zien duiken we een tamelijk willekeurig gekozen gedeelte van een zin in:

‘maar hij wist ook dat de schoonheid van het zinnebeeld nooit doel op zich mag worden, hoe scherp het daarnaast ook de waarheid verzinnebeeldt; hij wist dat steeds als dat gebeurt, als de schoonheid een doel in zichzelf wordt, de kunst in haar wortels wordt aangetast, doordat de scheppingsdaad onherroepelijk in haar tegendeel omslaat: het scheppende wordt overwoekerd door het geschapene, de inhoud door de lege vorm, het ware en het gekende door het louter schone, in hopeloze verwarring, hopeloos de cirkelgang van omkering en verwisseling, zo in zichzelf besloten dat er geen vernieuwing mogelijk is, dat er niets meer wordt ontsloten, niets ontdekt, noch het goddelijke in het verworpene, noch het verworpene in's mensen goddelijkheid; niets rest dan de roes van lege vormen, lege woorden, en in die verloochening van alle onderscheiding, van de eed, verlaagt de kunst zich tot onkunst en de poëzie verwordt tot schoonschrijverij, waarlijk, dit wist hij, en zijn weten was vol smart,’

Wie weet in het midden van dit citaat nog dat we zijn begonnen met "hij wist"? En wie houdt precies uit elkaar welke zaken des werelds zijn en welke verheven?

Van een perspectief op Vergilius verglijden we naar het perspectief van Vergilius, meanderend via de wereldse kunst en de bovenwereldse metafysische ideeën. Zo behandelt Broch zijn tegenstellingen: ze verdwijnen haast in elkaar, heffen elkaar op, maar bevestigen elkaar daardoor juist eerst. Soms duurt dat pagina's lang en op andere momenten kan het in twee woorden. Dat maakt het mogelijk om de manische zoektocht naar kennis en de koortsige zelfkritiek van Vergilius die daarbij komt kijken weer te geven.

Brochs poëzie, die een manische indruk maakt, blijkt wel degelijk in staat eenheid uit te drukken

De roman, of liever: het exorbitante gedicht probeert bij monde van Vergilius uitdrukking te geven aan het woord dat alles grond en zin geeft. Maar Vergilius komt tot het inzicht dat het niet-kennen ‘de grondslag [is] van zijn weten, want het is de stromende groei van zijn ziel, het onvoleindbare, het onvoltooide van zijn zelf, dat toch als eenheid zich ontvouwt.’ Brochs poëzie, die in eerste instantie een manische indruk maakt, blijkt dus wel degelijk in staat een woord van eenheid uit te drukken, omdat deze eenheid blijkt te liggen in het onvoltooide, het strevende, het wordende: juist in haar onvolkomenheid ontvouwt zich die eenheid.

Het niet-weten als onvolmaakte grond neemt daarbij meteen twee vormen aan in het gedicht. Het wordt ten eerste als menselijk falen getoond via het hoofdpersonage: de onwetendheid van de dichter die desalniettemin streeft naar kennis. Maar ook demonstreert en benoemt het gedicht de fundamentele onvolkomenheid in de schepping zelf: ‘het ongeschapene dat geen vorm heeft, zich weert tegen de vorm.’

Het zijn is voor Broch een wordingsproces en deze veranderlijkheid probeert hij als klassieke eeuwigheidsgedachte te formuleren: ‘herschepping die scheppingskracht ontleent aan zijn onveranderlijkheid.’ Om deze grondgedachte van wording uit te kunnen drukken is Broch genoodzaakt om de onvolmaaktheid in het streven naar volmaaktheid tot vorm van zijn dichtwerk te maken: juist de vormeloosheid vormt de vorm. De exorbitantie, het exces aan uitdrukking, maakt dat het gedicht een constant herformuleren vormt van dezelfde grondgedachte. Het gedicht is daarmee onderhevig aan hetzelfde principe van herschepping als het zijn dat het probeert te bezingen.

Zelfondermijning is geen mislukking maar de kans voor een uitzonderlijk werk om ons te inspireren

Juist Brochs poëzie is onovertroffen in het tonen van eenheid door vormeloosheid en het tonen van de vorm van het streven. De Romantiek, opgevat als literaire stroming die tegenstellingen als het eindige en het oneindige probeert te verzoenen, heeft eenzelfde doel op een andere wijze geprobeerd te bereiken. Zij heeft vaak een fragmentarische stijl gehanteerd om het onvoltooide uit te drukken. Denk bijvoorbeeld aan Tieck's Franz Sternbalds Wanderungen waarvan het slot nooit uitgeschreven is maar alleen beknopt meegegeven in een nawoord. Of Friedrich Schlegel's Lucinde waarin de hoofdpersoon zijn eigen brieven, dagboekaantekeningen, etc. ad hoc de revue laat passeren om erover te kunnen reflecteren. Maar de kunst van Broch is nu juist dat het werk niet fragmentarisch is, maar compleet en toch onvoltooid. De exorbitante beelden en excessieve herhalingen halen namelijk hun eigen zin deels onderuit en het verhaal verwordt vaak tot raaskallend betoog.

Maar als poëzie zo haar zin ondermijnt, wat blijft er dan nog over? Hoe komt het dat Broch, nu hij Scylla heeft ontweken, niet op Charibdis afvaart? Het antwoord is denk ik te vinden in het volgende citaat:

'was de stem werkelijk in al zijn werkelijkheid aan hem verschenen? waarom zweeg hij dan nu? waar was de stem? waar?! Hij vroeg, hij vroeg en vroeg! hij vroeg, nog steeds, en toch - al zoekend, zocht hij niet meer! Want wat hem was geopenbaard, al meende hij het niet meer te geloven, was overal om hem heen, overal hoorde hij het: in het knerpen van de wagens, in de slepende gang van de lastdieren, in de slapende, gegroefde gezichten van de boeren, in hun ademen, in het ademen van de duisternis, in het ademen van de nacht, en alles, of het nu noodlot droeg of niet, al het aardse en al het menselijke was tot hem ingegaan, en was opgenomen in zijn daadkracht.'

Profeten zijn dichters die in hun verzen zijn gaan geloven

Een openbaring wordt hier teruggebracht tot de ervaring. Het woord van liefde is Vergilius ontnomen maar juist daardoor kan hij liefhebben. Zo is ook de zelfondermijning van Broch's roman geen mislukking maar de kans voor een uitzonderlijk werk om ons te inspireren.

Profeten zijn dichters die in hun verzen zijn gaan geloven. Het is doordat de exorbitante dichter zijn denkbeelden doet overlopen in zijn eindeloze woordenstroom dat hij zich onttrekt aan het dogma, namelijk de naïeve veronderstelling dat de ware kennis al is bereikt. Hij ontkracht telkenmale wat hij eerst na een lange zoektocht heeft weten uit te drukken en juist die ontkrachting wordt uitgedrukt en is daarmee een uitdrukking van het enige werkelijke uitdrukbare.

De boodschap waarvoor Vergilius in Brochs werk sterft lijkt te zijn: liegt u niet! Beseft u dat alles, ook elke god, zal sterven. U moet de beperktheid van alle woorden inzien – religieuze, poëtische, filosofische en wetenschappelijke – zonder om hun beperking te lachen. Zoals Vergilius de liefde ontdekte en zijn geloof daarin ook weer moest opzeggen om het te kunnen voelen, zo moeten we al onze woorden in de ervaring invoegen zonder ze daarbuiten te laten dwalen. Alleen zo kunt u in waarheid spreken, alleen zo kan uw spreken uitdrukking van uw streven zijn. Zoals de exorbitantie van Brochs poëzie Broch verhindert enig denkbeeld te dogmatiseren, zo moet uw eigen poëzie u niet dichten maar weer open maken. Niet de ironie van de sardonische scepticus met vileine theorieën en postmoderne grollen, maar de exorbitantie van het beperkte streven redt ons van het dogma.

Gerelateerde artikelen
Reacties
2 Reacties
  • De 'Dood van V.' gelezen van 1/1/91 tot medio '91. Toeval bracht mij zo-even op uw site. De onderstaande tekst net afgelopen week bedacht en 'voltooid'. Vooral om niet in te slapen, vermoed ik.
    hart, groetend,
    theo vd wacht

    ..that willing suspension of disbelief for the moment,...
    T.S.Coleridge, Biographia Literaria

    KUNST EN GELOOF
    Met al die verschillende meningen over kunst, wordt het ongeloof zwaar beproefd.
    --
    Geloofwaardig of niet, een altijd weer terugkerende vraag. - Waarheid? Zandkorreltjes eeuwigheid - - Kunst? De schaduw van de verloren tijd.
    --
    Heilig geloof heeft ook de kunst een strijd op leven en dood bezorgd.
    --.
    Extase Kunst en geloof spannen een uiterste seconde een eeuwigheid samen
    --
    Geloof. Bijgeloof. Ongeloof. De kunst er mee om te gaan.
    --
    Van kunst dromen om niet te hoeven geloven.
    --
    Blind geloof in kunst, wedijvert met brodeloos.
    --
    Kunst versus werkelijkheid. Geloof versus tijdelijkheid.
    --
    Een kunst die het uitschreeuwt - gauw, vlug, anders is de kans voorbij, triomfeert opnieuw het geloofswoord, dat zich slim verbindt met een verpakking, die de houdbaarheid verhult.
    --
    Geloof is bedwelmend, kunst overstelpend, en v.v.
    --
    Avant garde Nieuw geloof De mens wikt God slikt
    --
    Het geloof als vraagstuk. De kunst als waagstuk.
    --
    Schepping. Kunst. Ontwerp. In tijden dat de chaos droomt.
    --
    In tweestrijd door het geloof, wendt de leer zich tot de kunst, lonkende plank in het drijfzand.
    --
    Toen ik er net in begon te geloven, stak er een writersbloc op.
    --
    Uit ongeloof de schepen achter je verbranden, in de hoop dat je zinnen eindelijk gaan vlammen.
    --

    tabula rasa
    In het niets geloven om met een schone lei te overwinnen.
    --
    Geloof in een hiernamaals. Lees dit bij twijfel als een gebiedende wijs.
    --
    Het geloof verdoezelen, het laten ontaarden in kunst.
    --
    Waag je niet aan kunst wanneer je geen geloofscrisis hebt doorleefd.
    --
    Als kunst niet stinkt, er zelfs geen luchtje aan kleeft, toont het zich ongeloofwaardig.
    --
    Teleurgesteld in de wijsbegeerte, sloeg ik Dante maar weer eens op, diens Goddelijke Komedie, blader door het Voorportaal, laat de Hel nu maar eens de Hel, om me stap voor stap te verdiepen in het boeten en louteren, in oprecht vernederen, in het hardop slaken van zuchten. Om dan eindelijk het kwaad te boven, mij te verblinden aan het licht, mij te vergapen aan het spektakel, en nu hardop te lezen wat er staat: ‘Uit mijzelf reik ik niet zo hoog, lijk door een bliksemschicht geraakt’, O Hoogmis, met veelstemmige Engelenkoren en Bach zelf op de bok. – Hosanna. Hossana. Et cetera.
    --
    Niemand heeft aan de kunst zoveel te danken als god.
    --
    Welke hulp kan de kunst bieden aan een gelovige die zijn onschuld heeft verspeeld.
    --
    Geloof zetelt in het hoofd, kunst in de bloedsomloop, en omgekeerd.
    --
    Die vinger van God. Niet te geloven!
    --
    Bach op het orgel Geloven maar
    --
    Kunst, de grootste plunderaar van het geloof.

    theovdwacht - sept. 2018

  • theovdwacht,

    Beste, besefte zo-even, dat in mijn bijgaand, omvangrijk poëem, Aeneas (Vergilius) zowel in het begin als later, zijn niet aflatende invloed doet gelden,
    Groet, Theo van der Wacht
    PS van de 'plaatjes'' komt alleen de titel door. En de regels zwabberen alle kanten uit. Desgewenst stuur ik het als document, dan graag uw emailadres.

    EEN (ON)MOGELIJKE REISGENOOT

    Stepping stones were stations of the soul Seamus Heaney

    ZEEROEP

    De vader ´Is over the ocean´, en leeft sinds de
    oorlog voort als ‘vermist’. De moeder bromt
    tegen de hond, die haar onstuimig te na komt:
    ‘Wacht maar als de captain straks thuisvaart!’
    en wuivend naar diens ovale, vergeelde portret:
    ‘Die is nu al ruim een halve eeuw onderweg.’

    Of ik Dido’s rouwlied nog eens opzet, liefst het
    vertrouwde met kraak, en terwijl ik Purcell brul,
    de langspeelplaat aanwijs, praat zij onverstoord
    door over de oorlogstijd, navigeer ik onvermoed
    over een opengevouwen kaart Aeneas tegemoet,
    slaat, als we Tunis aandoen, weer die brandbom in vlak bij ons in de buurt. De gevreesde vuurstorm
    blijft uit en ik, de vloot-admiraal, manoeuvreer met
    mijn bordkartonnen vlaggenschip het trapgat uit
    de woonkamer in, dorstend naar dat naakt uit de
    ‘Wie Wat Waar’, Aphrodite Anadyomene genaamd.

    Titiaan -Venus Anadyomene

    Van badkoorts naar zeegang

    Over de zee schrijven na er enkel maar over te hebben gelezen, dat deden zelfs gelauwerde poëten. Zulke onvertrouwdheid hoeft op zich niet altijd op dubieuze gedichten uit te draaien. Zeeziekte en zeebenen, daarover kun je twisten, maar al via een schep badzout laat je dat ouderwetse ligbad weer herleven, waarin je als kind ooit werd gekielhaald: Shampoo prikt lelijk in je ogen. Schuim spat van de golven. Jouw erectie flirt met Venus. En je boekte al een cruise naar Cyprus.

    Op de Mediterranee zet de schipper alle zeilen bij om aan Scylla en trawanten te ontkomen. De scheepsomroep orakelt: ‘Zeven korte stoten plus een lange op de stoomfluit betekent “schip verlaten”, eerst de bejaarden.’
    Beneden oefent moeder
    La Mer op de piano. Badwater gorgelt in de afvoer. Mijn badeend raakt volledig onbestuurbaar. Ons zeekasteel begint nu te trillen en te deinzen. Terwijl ik uit het
    bad stap en mij afdroog, raakt de reddingsboot te water. Schipbreuk is voor later.

    collectie Van der Wacht

    NIEMANDSZEE

    Op de evenaar klimt Neptunus met zijn drietand aan boord.
    Na de inzeping en wassing word ik per oorkonde in Nemo herdoopt, en wordt Mare Liberum het motto van hopelijk deze schipper in de dop.

    Meer droomtijd gunt de zeegod mij niet, want op het bakdek voltrekt zich al een zeemansbanket, proosten ze op mijn doop,
    en wie heeft er dan geen Kodak bij de hand voor wat kiekjes
    in het licht van het twintigste-eeuws equatoriaal avondzonrood?
    Mijn nasmaak: het maagzuur van pekelharing met kopstoot.

    Alle hens aan dek! Er blijkt een tornado in de maak.., ons doorgeseind in morsetaal, Fatalie is de naam, hoor! Zij die als een donderpreek onrust kweekt, element tegen woord uitspeelt. Stormvlagen... Zeetjes... Kijk eens hoe het spookt. Ook wij lopen averij op, maar goddank deze keer geen stuurman overboord. En onze albatros? Die waakt alweer te loevert zoals het behoort.
    Anoniem de haven waar ons schip wordt opgekalevaterd; alhier menig nacht met ‘telkens een andere dezelfde’ Ala doorgebracht, zo’n taalwonder dat moeiteloos van Grieks via Russisch op het Frans overschakelt: ‘Salut! demeure chaste et pure,’ neuriet ze vals. Deze sirenes weten van nature veruit het best: ‘Hoe de zang van de zeelieden klinkt.’
    Wel ‘de wijs herkend, maar de woorden niet verstaan?’ Kom, stel je niet zo aan. Het lijkt wel of je geen keus had, toen je bent gedrost. Maar misschien troost dit je, wij hebben altijd plaats voor een verstekeling aan boord.
    En waar we ook varen, altijd beheerst het schrikbeeld
    ‘man-en-muis’ ons navigeren:
    Moby Dick? Een kaperschip? Een reuzenijsberg op ramkoers?
    Met goed zeemanschap en godsgeloof omzeilen we zulke rampspoed.

    Chinezen als crew? Dan heb je vast wel eens stiekem een pijpje opium gesmookt, in halfslaap je sores een tijdje voor dromen verruild...Later lees je dan het gedicht The Ancient Mariner voor het eerst: alsof je beeld na beeld meelift op de golven van zo’n tripje van weleer. Maar wat wou je ook, aan boord viel niets te genieten dan wat de stichtelijke boekenkist ons bood.

    Atopia?
    Die naam praait om een linieschip, compleet met kraaiennest en uitkijk.
    ‘Ahoi! kapitein, land in zicht.’
    ~~~~~~~~^^_ #<<~~~~^^ Dit krabbeltje als eerste aanzet van de cartograaf. Nieuw land wordt onbegrensd in kaart gebracht.

    Zwemmer in zicht
    De baai die je hier ziet, dat is de echte niet.
    De camera zwenkt: er komt een zwemmer in zicht.
    Van deze zee bestaat vast al een ansichtkaart.

    Er waaien woorden aan als takelage en proviand.
    Verlangend zet je een koerslijn uit en verzeil je
    naar de streek die je haarfijn kent uit dat boek.

    Als in een B-film raakt dit avontuur nu op gang.
    Onze Hollywood Griek, zoals hij klippen omzeilt, schipbreuk lijdt, de grillen van het lot ondergaat.
    Ook al is de afloop bekend, ongelovig als je bent.

    S.O.S.
    ‘een reuzengolf (…) verplettert hem, en zie, het hele strand komt ijlings toegesneld.’
    Homerus, Odyssee

    Drijfnat op te rijzen uit een mengeling
    van branding, zeedrift en het vege lijf.

    ‘Weer op adem en bij zinnen, bevuild met
    zilt en schuim; door slaap en moeheid over-
    weldigd, een bed van dode bladeren voor
    de nacht.’
    En schiet hem bij zonsopgang
    weer die oude Griek te binnen ( ik hoop
    dat ie me nog verstaat): ‘Weet u waar we
    hier zijn?’ Gastvrijheid met olijven, spelt
    en wijn, zo’n dagdroom, daar past geen
    fourwheeldrive van welke kustwacht bij.

    - Wat?
    - Een drenkeling. - Waar? - We kijken het even na.
    - Naam?
    - Niet te verstaan.
    - Laat hem dan maar beter gaan.

    ---

    In volle zee ijberend over de brug,‘s nachts als haast
    iedereen ligt te slapen, met enkel de Melkweg om je op te verlaten.

    Zinsneden uit brieven van thuis. Over het zoontje dat zijn
    eerste stapjes volbracht, diens zusje net van de kinkhoest
    genas, en mammie zich als lid bij de NVSH heeft gemeld.
    De luchtpost bezorgt ons in elke haven een surprisepakket.
    De scheepskrant is de trots van Sparks, onze marconist. In twee regels telegramstijl te lezen dat wij als soort op
    de maan zijn geland, ongelofelijk nieuws hier aan boord.

    Kijk!, er daagt stroperig licht in het oosten, hoog tijd voor
    Poolster en de Grote Beer, sextant en passer in de aanslag: ‘Wie niet tijdig schiet, zit er naast’, daarom meteen aan het
    werk, van een gegist naar een waar bestek, op de zeekaart.

    Nee, mijn mond behoeft geen vijgenblad met woorden als zeg zeebonk, pikheet, scheurbuik, oorlam, raasdonders en spuigat. Is Dik Van Dale hier van node? Of het Scheepswoordenboek in negen talen? Bij Wiki en Ency volgen ze de laatste mode: gratis voor niks met homerische reclames, voor elk wat wils.
    Sinds aan boord de satelliet ster en zon verdrong, beeldscherm de zeekaart naar de lade ‘in case of emergency’ verwees, want stel dat de stroom uitvalt, of bij een schipbreuk je smartphone onklaar, of erger nog, te water raakt..
    Ach lezer, het lijkt wel of ikzelf zo-even de boot heb gemist, maar wees gerust, weer op stoom en alle zeilen bij, kan ik met de Odyssee en een GPS op zak, elke zee gemakkelijk de baas.
    En hoor!
    The Lady is a Tramp en Night and Day , die songs staan onafscheidelijk gedownload in mijn kop.

    En onze vroegere held? Die vult, ‘spelend met zijn passer’,
    de ‘lange achtermiddagen aan boord’ met de ontleding van (voor) tekenen van thuis. Citaat uit de voorlaatste brief aan zeemanlief :
    ’Nemo, hoe leg ik het je uit....’ En ontsnapt hem bij herlezing soms de verzuchting: ‘Een liefdesbrief is beter dan het lief Zelf (..)’
    Heimwee? Als waardig erfgenaam brengt mijn held dat sentiment met een ongemeen verknipt citaat van Slauerhoff allerha(r)telijkst om zeep.

    ‘a sadder and a wiser man’?
    Hij ging aan huis voor anker, verruilde zijn schip voor een kantoor. Zijn vrouw was er al vandoor, en hij genas van milde sjanker. De zeebonk die
    nooit schipbreuk leed, is nu een landrot die zapt en surft over de brekers van tv en internet. Wijn, fetablokjes en schapenvachtje onder handbereik.
    Een reisverzekering? Ja, je weet het toch maar nooit,
    met als wensdroom Griekenland, staphaven Ithaka.

    LIEFDE ALLERWEGEN

    ‘Ze glimlachen, ze zetten thee,(..) ze geven de bloemen water.’
    C.Milosz, Aan de feministes.

    Gedropt door de een, ontvlucht aan de ander;
    ‘velerman’ die tigmaal tien jaar uitzat, en nu zo halfweg plots beseft: ‘Wer jetzt kein Haus hat...’.
    Amor de zondebok? Feminisme het kwaad? Uit onmin het zwartboek Beruchte Vrouwen uit
    de Literatuur gedownload?
    Molly: ‘Hoe ’t smaakt, hoe ’t ruikt’; Lesbia: ‘Wat verrukt, wat kwelt’; Wanda: ‘Ik zet het je een leven lang betaald!’
    Een keuze uit, ‘de bron is onuitputtelijk..’

    In de kiem

    Tors ik een ‘haat vol liefde’ in mijn
    zinnen mee, ontegenzeggelijk.
    In bomtrechters schraagt het zaad zijn wortels. In de kiem worstelen de straatvechters.

    Schaduwkant

    Aan schemerig antiek strand
    het gelaat van de muze betrapt
    geëtst in beige, ovalen rots.
    Op de schaduwkant van de kolos
    mos. Eb legt haar binnenste bloot:
    grot.

    Zorgeloos

    Nu het album wacht, wat ging er aan dit kiekje
    vooraf? Ook de tijd die intussen verstreek, de
    dingen die we voor de helft weer vergaten.

    Fotogeniek? Jij, op je hurken daar voor die
    onthoofde marmeren god? Ik, die de sagen
    over diens ontrouw in de schaduw voorlas...

    Zorgeloos?

    Vandaag sabbel je opnieuw op die grasspriet,
    onderbreekt je blote voet weer steeds de lectuur,
    laat ik je haast hoorbaar zeggen: Voorzichtig!
    Ja, zo is het goed.

    ‘Facilis descensus Averno’
    Vergilius, Aeneis VI

    Vooruitblik

    Ik hield me stipt aan het gebod.
    Ik vermeed elk ding
    dat afdeed aan die helse klim,
    er kreeg geen hond of god
    een kans tussen ons in, we
    koesterden ons lot.
    Daglicht: je schim verging
    de doden vingen bot.
    En kreet, gebaren komen los
    en wie dit leest vergaapt
    zich licht aan ons.
    Verbonden door een nieuwe spraak
    voltrok aan ons zich niet
    dat oude lied.

    Aan Christine D’haen

    Attis

    Waarom hij uit zee of welk element ook
    uw wereld binnendroop, vermoedens
    hier onuitgesproken, er niet toe doende.
    Er kwam een einde aan zijn dooltocht

    hij, die klom van dienaar, danser
    tot thans uw voorzanger. Zelf zich
    gekortwiekt biedt hij u schroomvol zijn gave
    een opstap genomen, naar licht happend

    aan het gedichte raam: aan de einder
    schoolplein, plicht, jool. Een jongensdroom?
    Zijn lied gebiedt hem naar u toe, U
    gelijk een moeder, hem niet te vermijden.

    Strafregels levenslang

    Weer peren, Eva, herfstcyclonen.
    Hoogseizoen voor oude dromers:
    zijn blote hand onder de bank en
    zij die deed of ze niks zag, maar in
    de nablijfklas schrijft opa zich een
    lamme arm, strafregels levenslang,
    dwars door de schaamte heen want
    straalverliefd kwadraat maal pi, de
    afstand tussen rijtjeshuis en Paradijs,
    en altijd keurig voor het eten thuis.

    Titiaan, Venus en Adonis

    Smeulend vuur

    Schuim kwam er niet aan te pas, tenzij
    de ochtend erop tijdens de afwas. Wel wees zij me onderweg al op Mars. ‘Kijk!
    de rode planeet’, en heeft ze thuis de open
    haard opgestookt alsof er geen broeierige
    zomernacht bestond. - Adonis, noemde ze
    mij weinig terecht, want te bed kort daarop,
    nou ja, terwijl toch haar mond, mooiere dan
    die zagen mensen als u en ik werkelijk echt
    nooit...
    Bij een smeulend vuur bladerde ze met mij door de schilderkunst: ‘Deze Titiaan is mijn favoriet. Zie je wel hoe gevoelig Venus die jongeling omhelst!’
    Oesters slurpend heb ik niet nogmaals naar haar roepnaam gevist.
    Zoals het godinnen betaamt, slapen deed ze
    die nacht niet.Toen er plotseling licht opstak, schijn ik iets als Amor te hebben gemompeld, mokte zij: ‘Ik kan niet wegdoezelen zoals
    jij. Vertel me maar een aardig verhaaltje, wie weet helpt dat.’ Dat van Psyche lag al te veel
    voor de hand. ‘Kom, kus me nog maar eens’, herneemt ze, en opnieuw proberen we het.

    Dante Gabriel Rossetti

    Voor Corneel

    Is getekend

    Avances in een Italiaanse ijssalon, belicht door de
    Mediterrane avondzon. Een romance? Of toch een
    omineus visioen, waarin Dante zelf zijn Voorgeborghte
    memoreert, ons via twee onsterfelijke geliefden op de
    risico’s van overspel en bloedwraak attendeert.

    Francesca biedt hem naast de cassata haar geur en
    tongval aan, onderbreekt zijn getheosofeer, en gunt hem een kijkje in haar ziel, zuchtend ‘Ti amo, je zult zo eens zien.’ En de finale? Een onbewogen foto
    van een gecrashte auto. Is getekend Don Pasquale.

    Aimée Crince le Roi

    Voor W.B.S. de Vries
    Salomé

    Zijn hoofd rust omstreeks haar buik,
    een hand als presenteerblad. Ze kijkt
    besmuikt, of ze niet goed raad weet met
    de dood, de medeplichtigen om bijstand en
    verschoning vraagt. Maar zoals je ziet, die zijn
    hier helemaal uit beeld, dus staat ze er alleen voor
    al die nog komende jaren bij ons thuis aan de wand.

    Datingsite

    Een lerares? een helleveeg?
    Een lellebel? een ..?

    Muze, gun mij nu je toverstaf
    een tel,
    en Belle Ala schuift
    naast ons aan, een mengelmoes
    van droom en taal, van lief en ideaal. Een snoes verzot op bubbels, snackjes,
    glossy bladen, happy de planeet ronddwalen.
    Een date die foutoos dankjewelt in alle talen; die
    zich inhoudt bij het pinquïns kieken (smile); die bedel-
    kinderen met mariakaakjes tot een selfie overhaalt, die haar
    volgers nooit te nimmer zal mishagen, en die haar kijk en kiekjes graag met een veegje prijsgeeft aan de gauwigheid, genaamd het Wijde Wereldnet. En dat toverstafje? Een zeer onvriendelijk geprijsde datingsite.

    Elegie

    Een urn vol woorden stort je over haar uit
    waartussen de luid te verzwijgen naam.

    ‘Geen postuum klaaglied alsjeblieft,
    dat stuur ik per kerende post terug!’

    Onder wat zij je naliet zijn de annonce
    met rode tulpen omrand, het ‘evergreen’
    rond het strooiveld, ezelsoren
    bij wat ze het liefst at, ook
    Inferno, vijfde verblijf.

    KLASSIEKE ST(R)EKEN VAN DE ZON

    ‘Je bent gekomen’
    Sappho

    Hoogvlieger van niks

    Tien kilometer hoog luchtziek en misselijk.
    Geen schim meer van de branie van zonet.
    Schietgebedje als de landing wordt ingezet.

    Hoogvlieger van niks ik, die straks in het
    hotel de sterren inruilt voor een stortbad,
    de vliegangst met een dosis ouzo dempt.

    En het motto? Jij leest het en zij is daar.
    Gekomen van verre. Geen masker maar
    herkenning, zelfs in de vertaling.
    TomTom,
    we maken aarde. Welkom, praatjesmaker.

    Het weinige

    Je las erover in de boeken, bekeek
    tekeningen, plattegronden, foto’s
    ook een minder goed gelukte film.

    Je bent net aangekomen, je loopt
    te midden van brokstukken, gruizel
    resten oude sneeuw. Geen wit

    marmeren zuilen om te prijzen,
    enkel een trapdeel. Met koude handen
    sta je dit te schrijven, het weinige

    misschien voor later een bericht.
    Je hebt het hier nu wel gezien, een laatste zin: er kleven sporen aan de stenen.

    .

    Parnassus

    De stenen zijn nog warm, het is
    te laat om door te gaan, een stofwolk
    als een god wanneer de tent wordt opgezet,
    een hand olijven voor de smaak.

    Rond donker is het eten klaar, de harswijn
    zweemt ditmaal naar nectar, Venus
    was er al, nu dringen Jupiter en
    andere gasten aan, pimpelen mee.

    Mist, vannacht trok het potdicht -
    Onder de thee kaarten en gids
    geraadpleegd: het kàn, regengoed aan.
    Boven wachten sneeuw, bloedblaren.

    ‘(... ) als een god een sterveling benadert...’
    Cesare Pavese

    APOLLONIADE

    (Phoebus Apollo)

    Hoog, maar barmhartig mij
    bevaderend, hij
    veelzijdigste
    onder de goden.

    Uitnemend zijn stralende
    zinnen mij pijnigend reinigen.

    Waar tezamen komend nimmer
    afgodsbeelden gedogend.

    (Marsyas)

    Nabij Hades’ heldere hemel
    denk ik u dank.

    Niet voor de zangles, niet voor de boodschap
    noch voor de doodstrijd als wenk
    Mijn lot loft uw helende wet.

    (Daphne)

    Bernini

    Met vrucht de allesverzengende sfeer ontvlucht.

    Te zelden door keizer en dichter
    geplukte

    Die tong opwekkende
    kronen verheffende

    door nimfen en heksen
    beminde.

    (Hyacinthus)

    J. Broc

    Ten dode verleide
    verblinde
    gebenedijde

    Jij bloedrode
    vroegbloeiende

    te weinig geroemde
    verdoemde.

    (Midas)

    Ingeblazen door een
    panische inborst

    Te beluisteren nog in het
    fluisterende rietbos

    O goudbrood voor
    dovemansoren.

    (Achilles)

    Vijand noch vriend
    zal hem er ooit
    van weerhouden

    zich in lotsvertrouwen
    blindelings bloot te geven

    Voortdurend en ongekreukt
    in verwachting van

    woordbreuk.

    (Niobe)

    Karoly Patko

    Traag sloopt het water
    de hovaardij van haar rots

    Tweemaal zeven doden,
    wat trots plus de hulp
    van de goden

    meer is niet nodig.

    ***

    Apollo! Apollo! Apollo!
    Sophokles, Oedipus Rex

    Blindeman

    Als climax het demasqué. Dit is oertoneel. Vloek
    en stampei horen er sinds mensenheugenis bij.
    Wat men hier te zien krijgt is geen vergeetboek.

    Jij staat daar opeens zelf voor het voetlicht, even
    verblind als die vorst, even afzichtelijk van aanblik.
    Ook jij slaat onmachtig je handen voor je gezicht.

    ‘Van nu af is het enkel nog nacht’, stamel je theatraal.
    ‘Klopt, dat is waar’, echoot het oeroude commentaar,
    en een overdonderende stilte neemt bezit van de zaal.

    Antigone’s dood

    Haar weerhoudt wet
    noch gebod
    Zij legt zich af
    op eigen grond:
    oeroude vlek
    met nachtbloem bedekt.

    Offerande

    Delphi

    Wat er niet in die twitterende hoofdjes rondspookt.
    Je vraagt het je amper af, of jouw naam schalt al door
    de klas, en verspringen vrees en durf spontaan van plaats,
    zit jij daar plots als primus inter pares een overjarige
    heldensage op te dissen, benevens de list die Atlas voor
    eeuwig met zijn last opzadelt. Van de gezichten rond je
    druipt het ongeloof af, hoogste tijd dus om de woorden
    nous, thumos,epithumia te arceren, Plato’s Phaedrus een
    kans te geven, je de aura van een geleerde aan te meten.
    En sta je later werkelijk als leraar voor een gehoor dat
    zijn oor het liefst toch aan zo’n smartphone leent, sla
    dan de handen voor je ogen, zoals Oidipoes de blinde,
    en smeek Apollo, of hij jouw offerande wel aanvaarden
    wil, en reis daarvoor nu naar Delphi af, stante pede –

    (Samen met Eva van der Wacht, gymnasist).

    ‘...hoorde u, Alcaeus, op een gouden luit, voluit zingen van ramspoed op zee... ‘
    Horatius, Oden II.

    Antiek rederijken

    Begeesterd door een klinkend citaat rad
    aan het rederijken geslagen: hendeka
    heet de maat die de taalgids ons aanprijst,
    en wie ambieert eenmaal daar ingevlogen

    nu niet een bootreisje naar antiek Ithaka.
    Alcaeus gaat ons hierin maar al te graag voor
    praat ons bij over de risico’s op zee,
    raadpleegt op aller verzoek Poseidon.

    De zeegod orakelt een genuanceerd
    weerbeeld, herinnert ons aan schipbreukeling
    Odysseus, die hem steeds te sluw af was.
    Jullie elftal is alvast maar gewaarschuwd.

    ( de Oudgriekse dichter Alcaeus beoefende een
    elflettergrepig metrum, de hendekasyllabe)

    Ajax op de schop

    Je schopt ertegen, al dan niet toevallig.
    Je raapt het op, het is een kraterscherf,
    en een tel sta je stil bij sage en Griek.

    Toevallig of niet, je ziet nu een afbeelding,
    rood op zwart, een bloedbad, Ajax, diens
    halsdaad, een paar letters bevestigen dat

    Ajax, toevallig of niet, de naam is van een
    Amstelredamse voetbalclub. Ajax? Was dat
    niet een Joodse schoonmaakmiddelfabrikant.

    Haasje over

    Zigzagt plotseling om het leven een haas
    over mijn menukaart en besproken tafel,
    om panisch in een drijfjacht te verzeilen.

    Met de losse teugel een ongelijke wedloop
    tussen woord en meute, accolades die een
    sloot markeren, puntkomma voor op adem

    komen. ‘Hazenpeper, kan ik u aanbevelen’,
    grijnst de kelner die me bij komt schenken¬.

    Eetcafé De Hoefslag is lang geen verleden
    en ik degene die er kiezen moest of delen.

    Vlammenzee

    Even vrij van oudheidkundig gekloon die Vlam
    op een ongewoon middagje zeebad te inviteren: ligstoel, badhanddoek, parasol. Maar of ie zal
    reageren, toehappen? Wie kan ons nu vandaag onbewolkt weer garanderen, U?
    Ober! Twee porties gyros. Gloeiend heet s.v.p.
    Ik ontspan en rol een sigaretje, en beeld me dan
    zijn vlammenzee in tegenover mijn sjekkie, hij
    het langste, ik het aller-, allerkortste eindje….
    En horen we hem heel in de verte nu brommen:
    Bruinbakken? Pas je op voor je weet wel, ventje. Pff, wie lust er een hap van me, wie een trekkie?

    Gouden tak

    Vrijwel nergens treft men deze vruchtjes lager aan,
    dat verzekerde de reisgids mij, met illustraties en al:
    een rij bomen aan zee, en wilde paarden op het wad.

    Om er te komen van mijn fiets afgestapt, een eindje
    gelopen: natte voeten voor wie geschikt schoeisel
    vergat, een beetje draaierig door de mengeling van

    zout, zon,wind. Ze verrijzen hoog achter een dijk,
    geen eiken maar goud afgevende populieren.Vanaf
    de onderste loot biedt hij zich aan, de maretak.

    I call it death-in-life, life-in-death
    W.B.Yeats, Byzantium

    Geen schijn van werkelijkheid

    ‘Te laat’, grimlacht onze antieke gids, ‘U trapte er te
    grondig in.’ Maar de ergste schrik is gauw voorbij,
    immers ook de poep is hier volstrekt imaginair, in
    al zijn smerigheid, zijn vorm, zijn reuk, de dikke
    vliegenzwerm die het omzoemt, een realiteit waar
    de plaatselijke vuilnisdienst bekwaam op inspeelt,
    zodat het psssssssh als zuurstofsneeuw verdwijnt...

    Maar nu die muilkorf nog:
    ‘Ik grijp ernaar, ervoor, ernaast,
    weer mis.. Steeds voor mij lonkt die vorm, die schim, dat beeld,
    maar veel meer schim dan vorm, meer beeld nog dan
    een schim, en nu ik er beter op let, het is geen echte
    grond waar ik hier op sta, het voelt werkelijk helemaal
    nergens naar en toch zak ik er niet in weg..’
    Mijn god,
    klonk er nu maar zoiets als geblaf, maar nee, ja niets

    (de gearceerde tekst is vrij naar W.B. Yeats)

    DE KLANK VAN SNEEUW

    ‘Muziek: nu eeuwig sneeuw-’
    Sonia Goebaidoelina

    Als trucker over steenijs om de Noord
    Door bos en sneeuw die naar men zei
    het bederf doorstonden.

    Zie: ongeschonden wit
    Lees: niets om te verwoorden behalve dit

    Tijdens de plaspauze krijgen we min veertig
    om de oren. Staan we daar met dode vingers
    te pielen en te wurmen, stampvoetend met
    berijpte lippen, en is die laatste drup zowel
    bezoeking als extatische verrukking.

    Zwart in geen dagen

    In onbedaarlijke sneeuw te geraken
    richting te missen, af te dwalen

    Van wegen nergens meer sprake, niets
    te betrappen dan knerpende aarde, zwart

    in geen dagen; dit begint aan zichzelf
    te knagen, van sneeuwhert te dromen

    half hopend te worden omsloten
    door sterke akkoorden, wolfsprenten.

    Canada, Athabasca river

    Fabeldier

    Koud thuis in dit noorden winterweer
    te moeten ontberen, vertraagd voorjaar

    houdt huis rond de rivier. Gehoord
    de ijsschotsen, gezien hoe korstmossen

    de vorst trotseren, god wat een vliegen
    vogels beren, alleen de beschaduwde

    bosrand verraadt nog een witprent
    onmiskenbaar het sneeuwhert, fabeldier.

    Omslag

    Zich nog laat aan dit oord gehecht:
    de herfst valt hier kort, gaten
    en kieren worden omzichtig gedicht
    dwarsverbanden versterkt.

    In het bos zijn de vallen gesteld:
    poolvos en mink lopen fijn
    in de pas, vlees vis lekken uit
    aan de lijn, buit stapelt zich op.

    Sneeuw in de nacht brengt de omslag:
    vorst zet zich vast, vuur schrap.
    Van de muur komen geweer, kleren
    van bont, naar buiten de bril op
    waar kuis, schuw het sneeuwhert.
    Wie nu doorschiet, ziet morsblind

    Rood desnoods

    In goed sneeuwland te jagen
    op wat toevalt, je Diane pal
    bij de hand, ideaal richtlicht.

    Bovenwinds benadert een
    sneeuwhert het schootsveld:
    de jager maakt het zijn doel

    wit, zo wit dat het grijzer
    zou, een dosis zwart, blauw
    wellicht, rood desnoods.

    Totem noch kruis

    Verstoken van kompas kaart stormband
    de winderige vlakte te verkennen

    geen velden of wegen te bekennen, totem
    noch kruis ontluistert het bezochte

    de blakke bodem is onbelopen, wit
    plekken onder dwerggewas vertonen

    nog flauw een wildprent, het sneeuwhert?
    In de verte brouwen wolken goudzwart.

    Winter vorst kou bekruipen mij hier
    buiten aanzien van kaart en kompas

    versta ik mij met naamloze verten en
    wildpaden onheugelijke aarde tot in

    beelden van sneeuwhert en ijsgod het
    fabuleus afschot van stekeblind jagen.

    ----

    KRISKRAS OVER DE PLANEET

    ‘ (..) gaan waar niemand is gegaan’
    Ida Gerhardt

    Cader Idris, Duncan Grant

    Cader Idris

    De imker spreekt slechts Gaelic, vandaar de gebarentaal, hem vroeg je naar de weg.

    Je had je danig voorbereid op deze tocht
    maar door damp en een kompas dat miswijst -

    Terwijl je samen honing eet, melk drinkt
    van de geit, keer je vliegensvlug

    terug in de tijd; je staat nu hoog
    op de plaats zoals een voorzaat die beschreef:

    behalve de sneeuw, alleen steen, gruis.
    Er nooit dichter vandaan treur je thuis.

    ( Cader Idris: bergrug te Wales. Wie daar de nacht doorbrengt, ontwaakt er de volgende morgen of als krankzinnige, of als dichter….).

    Gewicht

    Je raapt de mooiste op, dit is
    een vraagstuk van gewicht, je wikt

    je propt de vakken van de rukzak vol
    één arm tegen de borst geklemd tors je

    de zwaarste, lichtere stapelend erbovenop
    zolang het gaat. Overladen schuifel je

    terug naar de openbare weg.

    Halfprodukt

    (intro)

    Wij, want geen mens is een eiland.
    Die ontlening verstevigt onze band.
    Elk woord verkleint de onmetelijke
    afstand, contact een kwestie van tijd.

    (astrofysica)

    ‘(...)in het totaal is alles al geteld’
    R.M.Rilke

    ...als in het morgenrood van ooit, op die eerste
    ochtendstond, waar behalve licht geen ander
    schrift bestaat, geen priemgetal, geen maat...
    wat later
    met roze champagne en vodden bij de hand
    wij, als halfproduct van oerknal, god en pandorisch kunst en wetenschap..

    (labyrint)

    De kluwen die roerloos afspoelt
    slinkt verdacht.
    Is het een list door haar beraamd?

    Schaduwloos wit en toch volkomen
    donker is de plaats
    waar de draad ons ontglipt.

    Wat ik opving was een mij onbekend
    woord. Broedt nu zij of hij iets uit?
    Vanwaar de idee van bloedwraak?

    Je verhoopt nog iets in het afwezig licht:
    Een sterrenbeeld?
    De uitgang van het labyrint?

    (Uitweg)

    Wil woorden die geschiedenis schrijven,
    inclusief de draad die ze gaat verbinden.
    Al tijdens het herschikken, denk je: Kan

    het niet wat minder, kies je oeros in plaats
    van Minotaurus. Soms botsen mythen op
    elkaar: offer, bloed, bodem, als slogans

    die elkaar versterken, in oorlog escaleren.
    Sinds oudsher is het ons bekend, labyrint
    dat uitweg biedt aan ieder die het monster

    temt of doodt, en jij die mens daarbinnen.
    ----
    Voor Ella van Rij
    Onder handbereik

    In een streek waarvan een enkeling
    de taal nog spreekt, schuilen we op de
    grens van oceaan en land tegen het weer.

    Onder handbereik een huiverende meeuw
    die amper nog bedelt om brood. De zon
    breekt grauw door. Ik richt me vlug op,

    kies als statief een droogvallende rots
    Na vijf tellen de klik, 1/60 op de gok.
    Met de dood en jou aan de picknick:

    onderschrift dat klinkt als een snik.

    Ik ben er geweest

    Het daagt als ik met vage bestemming
    de auto pak. De roze vingers, het goud
    in haar mond, ze paaien me met gemak.

    Na nog een hoofdomdraai loop ik vast:
    mist. Mijn tijd staat zelden stil, dus bel
    ik die ongeloofwaardige afspraak af.

    De radio geeft failliet. Alom stiltegebied.
    Mijn engelbewaarder onthulde me later:
    ‘Je hebt geluk gehad, ik dacht, die is er
    geweest.’ God weet waar dat was.

    Braakland

    Voor Tanya en Renée, ecoboeren

    Nog 1 keerlus en het land ligt braak
    Golvende kluiten schitterend zwart

    Vorst vreet al nachten aan de grond
    Verwachting dat het sneeuwen gaat

    De stramheid van de ochtendkilte
    Alleen het koffiezetsel zich betuigt

    Buiten dolt de zon met nevelslierten
    Regenboog om verzen in te weiden.
    Onbegrensd
    ‘Nooit iets van waarde meenemen op reis (..)’ Redmond. O’Hanlon

    ..een plof, een schok, en nu het helder wordt, blijkt dat ìk de noodlanding heb uitgelokt.
    Ik gesp mijn gordel los en doe afstand van bagage en mijn pas.

    ‘Dear Liberty’

    Met dank aan William Wordsworth volg ik als gids en toeverlaat de eerste de beste wandelende wolk

    ‘I cannot miss my way’

    Kompas noch kaart, laat staan een laptop, belemmeren mijn gaan
    te voet en
    liftend ‘On the road’, waar ik alles wil
    vergeten ‘wat ik er van weet’,
    kriskrassend over de planeet.

    Hellegat

    Kies Google, tik Hawaï in, en zie de zon
    bloed morsen over een rokende vulkaan.
    Reclames voor een kodakblauwe oceaan.
    Cruisereizen door het gehele jaar, surfers
    hoog in de lucht, de hoelahoep op Molokai
    en de Mooiste Berg per touringcar
    En hier flaneer je dan, belaagd door zwaveldamp en ah geroep, de laatste meters naar de top en kraterrand
    Nog zin in kiekjes of in ansichtkaart?
    De gids, geen grammetje te dik maar vol van great en marvellous, vertelt dat dit de diepste berg ter wereld is
    We staren een ogenblik eerbiedig in het hellegat, dan
    neem ik mijn gemak en knoop een
    losse veter vast.

    Obsidiaan

    Oersteen om voor tot op de bodem te gaan.
    Naam stamt van Obsius de ontdekker ervan.
    Ons klompje vulkaan meet een kilo of drie.

    De glasmeester heeft wel oren naar onze idee,
    kwestie van chemie, vakwerk en fantasie.
    Vaste prijs voor ieder van ons: een splinter

    ziel

    Een loopje met Faust? Kom, doe niet zo
    flauw!
    En zo zoeken wij nog altijd naar
    de enige naam voor deze trofee, van dit glashard glinsterend zwart.

    Veredeld licht

    Een zoevende vingerveeg, en we zwerven uit
    over het wereldnet. Verzin jij nu een passende
    voorgeschiedenis, dan test ik de nieuwste app.

    Gehaaide diginauten zonder pen en boekenlast.
    Knipogend naar Slim O’dysseus, praten zij rad
    Trojaanse paarden en hun aanhang van het net,

    en surfen ze op golven veredeld licht, aldoor
    laverend tussen onbekend en gerenommeerd,
    van Genesis naar Jongste dag, en omgekeerd.

    ‘Be willing to be blind, and give up all longing to the why and how, for knowing will be more of a hindrance than a help’

    The Cloud of Unknowing
    Anonymus (medieval English).

    Pi

    Reeds als ezelsbrug om veel te houden van: ‘Wie ù kent, o getal (.....)‘
    Zo gewoon als ik mij verliefd betoon: deze omhelzing = omcirkeling, een
    kwestie van niet bang zijn voor, ons gekromd heelal in vierkant op papier.
    Dit taalt naar kwadratuur, naar geest die huist waar nog niet eerder iemand is geweest, boven die wolk van niet weten uit, lees: een godsonmogelijkheid.

    Pluto of Venus, een baksteen of een kus? Een complete zinsverbijstering
    brengt me van mijn apropos. Ik klamp me in het aardedonker vast aan het
    getal, laat Pi een rondreis maken in mijn dromerige brein, sterrenschepen bewegwijzeren de kosmische oceaan. Tijdreizigers spreken me aan in taal
    die ik niet versta. Wat ik almaar aanhaal is: Drie komma veertien, et cetera.

    ZO ECHT ALS KUNST

    Chinese nachtegaal

    Al vroeg maakt men hem in China knap als mechaniekje na, favoriete speeldoos van menig keizer en kunstenaar
    Zanger, verleider,
    bedrieger
    Bulbul in het Perzisch, naleesbaar in het Chinees.

    De mijne verbergt zich het gehele jaar
    door op een paar stappen gaans.
    Hoor de zang waarop hij ons blikkerig onthaal. Zie de pixels waaruit hij bibberend ontstaat.

    Solist in digitaal grijs,
    zijn silhouet:
    echt als surrogaat.

    DRIELUIKJE
    op de schilder Adriaan Coorte

    Klapframboos

    Als kunstwerk fraaier dan in het echt?
    Tijd dat ik ze zelf eens pluk en schik:

    vruchtjes
    fruitschaal
    licht

    En nu maar wachten op een wesp
    die aan de rotte plekjes denkt.

    Intussen druipt het sap mij langs
    de kin, waait er een wekfles aan,
    gaat inmaak met ons aan de haal
    Plof, klapframboos van taal.

    Schaal een op een

    O schilderij dat doormaalt in mijn brein,
    schaal een op een.
    De mispels haal ik
    op de markt, als omlijsting kies ik een
    kozijn.
    De wisseling van donker/licht
    het wachten op een vlieg die hapt,
    het aftellen al begon.
    Treur niet dat ik
    geen schilder ben, niks heb met verf
    en doek.
    Mijn kijk en kiekjes van zonet
    1 klik, en ze circuleren wereldwijd.

    Kunstdiefstal

    Waarom blijft dit schilderij me altijd
    bij? Door die potporrie van fruit of
    om een vlieg zo echt dat ik subiet
    aan doodslaan denk
    O, die bromtoon
    in mijn kop. Weer grijp ik naar de krant, mep in het wilde weg, brul beest rot op!

    Buts in gepantserd glas. Kunstdiefstal
    net op tijd verstoord, als grote vette krantenkop.

    Dit noemt men kantje boord.
    Met mepper in de hand, ik, die niet insta voor mijzelf.
    voor Cor Gout

    Vloek

    Marcel van Eeden

    Zeelicht inkt gewolkte zwart
    legt blikseminslag bloot

    Zo’n beeld verstaat zich
    tegendraads
    met wat de kijker leest

    Kantelt
    de ogenblik die zwalkend
    gat op gat bikt in de tijd.

    Op het ontbijtbord restjes
    gekleurde hagelslag als
    bloedcel voor

    de nieuwste dag die aanschreeuwt
    uit het boek van woorden licht en vrees verenigd tot een vloek.

    (Tekst geïnspireerd door een ‘Vloek’ van Cor Gout en het tekenwerk van Marcel van Eeden)

    KAAP VREES IN ZICHT

    ‘Niemand, niemand kent je (..)’
    V.Aleixandre, Aan de liefde

    Uitstel

    Aan de verlangde rivier
    is het veer opgedoekt, men
    bezoekt een hoogzomerse plek

    klimroos omtrekt de vermolmde boot

    Op eigen risico, pasgeld
    meldt het bordje er.

    Opwekking

    Verbleekt en verflenst rest er het beeld.

    Overtrekken moet je zo’n schim, goed
    doorbloeden dat ding met purperen
    inkt. Opwekking die beeft, leeft

    in vollopend schrift van geweest,
    komende, is.

    Galgenmop

    Aan geen woord een koord
    kunnen vastknopen, er nooit een

    lus in zullen leggen, zelfs de beul
    niet horen zeggen: O,

    wat een mislukte strop.

    Projectiel

    Zoals het kwam aangewaaid van alle
    kanten inbrekend. Sinds het projectiel

    een stokoude leeuwerik bleek, betrok
    een zwerm rouwvogels het schootsveld, het lijk

    verbergend dat ons een kreetlang verdoofde.
    De ergste schrik te boven ontsluiten de zinnen

    de gedoodverfde plek waar dood
    woorden als maden bevoorrecht.

    Vroeg ijs

    Tijdens het natscheren kwam een oud
    verlangen weer op, even opnieuw aan
    antiek water gestaan: veerdienst

    van naam, plankier haast vertrouwd,
    eenheidstarief als vanouds, geen kwaad
    woord hier over dat schippersverblijf.

    Buiten vroeg ijs op een plas, halfslachtig
    rouwende herfst, een onverdachte deur
    plots onbehouwen dichtslaat.

    Ontleedles

    Nog dichter te naderen lijkt een illusie:
    gewapend met de allerlaatste techniek
    blijf jij je blindstaren op dat kadaver.

    Koel stelde je de uiterste vragen, telkens
    beweerde die doofstomme hetzelfde, niet 1
    leerboek bracht je verder dan een luidkeels

    verdomme.- Het schilderij dat verdoekt wordt is een anatomische les: je hand reikt naar het ontleedmes, dat schitterend gereed ligt.

    ‘Van oude mensen, de dingen die’
    Louis Couperus

    Betbetoudovergroot

    C.Lorrain

    Werk geschikt voor hen die al wat ouder zijn en voeling
    hebben met bejaardenzorg, zelfs als het betbetoudovergroot behelst. Deze laatste rollen nu grijzig wit in beeld. Op houdbaarheid
    wordt op deze plek allang niet meer gelet. Ook het geluid staat vrijwel uit. Maar wat is nu schoner dan gebarentaal? Mimiek, kom op! Ook de zwaai waarmee die oma een beha. Haar craquelé en antieke globes spreken zo hun eigen taal. Dat beseft een opa ook. Die navigeert als oud-marineman met flair Kaap Vrees in beeld, de rotsklip waarop hij eeuw na eeuw al schipbreuk lijdt.
    Preuts? Uit de tijd? O nee, hij pept juist op door deze mix van geschiedenis en seks. Kijk toch aan, zijn Trojaanse kilt ontvouwt
    waar ik als jongere vent me nauwelijks voor schamen zou.

    Met vlag in top draait ons toneelgaljoen nu langzaam bij.
    Carthago kantelt als decor in zicht. Voorgaats de gedoemde
    ankerplaats.
    ‘Alle hens maak front!’
    De camera zoemt in. Oma Dido schikt een lok en wiebelkont.
    Opa Aeneas buigt een keer of wat naar het publiek, en suft
    dan langzaam in zijn dekstoel weg.

    Echt licht

    Lichtsnelheid botsing beng! Split second, en onze capsule spat uiteen, kernsplijting op papier, door een oneigenlijke bril bezien, en digitaal weerspiegeld en geformuleerd voor wie het navertellen kan en wil. U misschien, vanaf de Dierenriem?
    Filmt men daar straks niet het Sint-Elmusvuur van ons ‘allerlaatste uur ..?’

    Ik klap mijn laptop dicht, blik een oogwenk in echt licht, ontleen ‘schaduw van de zon’ en beklim in een flow het eerste de beste hoge duin. Met GPS stand by ontdek ik het terras aan zee waar de anderen ogenschijnlijk al zijn. Wars van angst, kies ik de kortste weg naar het strand: Prikkeldraad. Winkelhaak. Bloeddruppels in het mulle zand.
    Nieuws-app meldt: Er is een onvermoede zonsondergang voorspeld.

    Tripje

    ‘…brekexkex koax koax…’
    Aristophanes, Kikkers

    Veel over gelezen, akelig van gedroomd
    - schemerduistere wereld die nawerkt als
    een duivels geïllustreerd boek: tafereeltjes
    vol helse verschrikking, fijnzinnig verbeeld.

    Toch maar een lift? Wend je dan tot de gids.
    Enkel of retour? Elk betaalmiddel voldoet.

    Gewoonlijk wordt er tijdens zo‘n tripje over ‘ernstige en belachelijke dingen’ gekletst, de spraak van kikkers, de kans op een meesterwerk.

    Uit de diepte

    ter nagedachtenis aan
    M.P.J. van der Wacht,
    Den Haag, 1906 – Sardonische zee, 1944

    Er zwemt iemand over mijn graf. De juiste plek?
    Die staat exact in de scheepsverklaring vermeld.

    Al sinds die oorlog rusten mijn resten hier op een
    geïmproviseerd bed, maar mijn dood houdt dankzij
    een nabestaande hardnekkig stand, al nadert de rij
    overlevenden thans in een versneld tempo zijn end.

    De zee hier is twee honderd vaam diep. Op je eentje
    duiken lijkt me te gewaagd. De toegang die de mijn in
    de scheepshuid sloeg, staat als altijd open voor bezoek.

    ‘Every poem an epitaph’
    T.S.Eliot, Little Gidding V

    Gedenkplaaats
    Daglicht maakt hier met groen
    gemene zaak, de zaailing die zich
    door het steen heen werkt, de haar-
    scheurtjes aan het oog onttrekt.

    P.S.

    Verzwijgen

    Wil dit stilletjes ondersneeuwen Voluit betekenisloos witte vegen

    Met geen winterwoord te verven Door geen oogwenk in te perken Niks dan niets wordt er vergeven

    Hartklop adem matglas doorkijk Hoor hoe die het ook verzwijgen.

    -----

    Aantekening:
    De tekst bevat toespelingen op, en terloopse ‘citaten’ van auteurs als::

    J.J. Slauerhoff, G.Mallarmé, Theocritus, Ch.Goudnod, Homerus, W. C.Auden, Dante Alighieri, R.M.Rilke, J. Joyce, Catullus, L.von Sacher-Masoch, T.S Coleridge, Sophokles, J.Donne.

    theo van der wacht

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven